Gaan na inhoud

Hand

Vanuit Wiktionary, die vrye woordeboek.

Duits (de)

Naamval Enkelvoud Meervoud
Nominatief Hand v Hände
Genitief Hand(e)s Hände
Datief Hand(e) Händen
Akkusatief Hannd Hände

Met fraktuurletters

, meervoud:

Uitspraak

Hulp:IPA: [hant]
   
(lêer)
IPA:
Standaardtaal tot 1957: meervoud: [ˈhɛndə]
Noord-Duitse en Middelduitse standaardtaal sedert 1957: [hantʰ], meervoud: [ˈhɛndə]
Suid-Duitse en Oostenrykse standaardtaal sedert 1957: [hand̥], meervoud: [ˈhend̥e]
Switserduitse standaardtaal: [hand̥], meervoud: [ˈhɛnd̥e]

Selfstandige naamwoord

    Betekenisse

Hand


Luxemburgs (lb)

Naamval Enkelvoud
(sonder lidwoord) (met onbepaalde
lidwoord)
(met bepaalde
lidwoord)
Nominatief   Hand v   eng Hand v   d'Hand v  
Datief   Hand v   enger Hand v   der Hand v  
Akkusatief   Hand v   eng Hand v   d'Hand v  
Naamval Meervoud
(sonder lidwoord) (met bepaalde lidwoord)
Nominatief   Hänn     d'Hänn  
Datief   Hänn     den Hänn  
Akkusatief   Hänn     d'Hänn  

Uitspraak

IPA:
nominatief: [hɑnt], onbepaald: [ɛŋˈhɑnt], bepaald: [thɑnt]; meervoud: [hɛn], bepaald: [thɛn]
datief: [hɑnt], onbepaald: [ɛŋɐˈhɑnt], bepaald: [dɐˈhɑnt]; meervoud: [hɛn], bepaald: [dənˈhɛn]

Selfstandige naamwoord

    Betekenisse

Hand