Gaan na inhoud

mandag

Vanuit Wiktionary, die vrye woordeboek.
Naamval Enkelvoud Meervoud
  Onbepaald Bepaald Onbepaald Bepaald
Nominatief mandag mandagen mandager mandagene  
Genitief mandags mandagens mandagers mandagenes
IPA: [ˈmandaːg], bepaald: [ˈmandaːgən]; meervoud: [˅mandaːgər], bepaald: [˅mandaːgənə]
Maandag


Enkelvoud Meervoud
Naamval Onbepaald Bepaald Onbepaald Bepaald
Nominatief mandag mandagen mandage mandagene  
Genitief mandags mandagens mandages mandagenes
IPA: [ˈmænˀd̥æ], bepaald: [ˈmænˀd̥ɛ̜ˑˀ(j)ən]; meervoud: [ˈmænˀd̥ɛ̜ː(j)ə], bepaald: [ˈmænˀd̥ɛ̜ː(j)ə]
Maandag